Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Inleiding

De jaarstukken 2020 zijn opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) daarvoor geeft.
In dit hoofdstuk staat de toelichting op de grondslagen. De afschrijvingstabel is vastgelegd in de Financiële verordening als bijlage bij het afschrijvingsbeleid, zijnde artikel 9 van de Financiële verordening.

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening

De waardering van de activa en passiva is vastgelegd in het afschrijvingsbeleid in artikel 9 van de Financiële verordening. Hierover is besloten op 20 februari 2020.
De activa en passiva zijn opgenomen tegen nominale waarde, tenzij hieronder bij de betreffende balanspost anders is vermeld.
Grondslagen voor resultaatbepaling

De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen als zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn. Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als baten genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar is. Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming te weten vier jaar. Voor de baten uit het gemeentefonds is aangesloten bij de laatste specificatie die wij hiervoor hebben ontvangen. Eventuele restituties van jaarresultaten van verbonden partijen worden als baten genomen op het moment waarop het bestuursbesluit voor de restitutie van het resultaat door de verbonden partij wordt genomen.

Balans

Vaste activa

Artikel 59 BBV beschrijft het onderscheid tussen investeringen met uitsluitend maatschappelijk nut in de openbare ruimte en investeringen met een (beperkt) economisch nut. Investeringen die kunnen leiden tot of bijdragen aan het verwerven van inkomsten zijn investeringen met economisch nut.

Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn. De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in vijf jaar afgeschreven. De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij ingebruikneming van het gerelateerde materiële vaste actief.

Bijdragen aan activa van derden worden geactiveerd. Dergelijke geactiveerde bijdragen zijn gewaardeerd op het bedrag van de verstrekte bijdragen en verminderd met afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

Materiële vaste activa met economisch nut

In erfpacht uitgegeven gronden
De in erfpacht uitgegeven percelen zijn gewaardeerd tegen de eerste uitgifteprijs (de waarde die bij eerste uitgifte als basis voor de canonberekening in aanmerking is genomen). Er wordt niet afgeschreven op deze gronden.

Overige investeringen met economisch nut
De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- c.q. vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de betreffende investering in mindering gebracht, in die gevallen wordt op het saldo afgeschreven.

'Levensduurverlengend onderhoud' wordt gedefinieerd als een investering. Criteria hierbij zijn dat er sprake moet zijn van duurzame waardevermeerdering, een kwalitatieve verbetering waarbij het nut zich uitstrekt over meerdere jaren.

Er wordt lineair afgeschreven. Uitzondering hierop zijn de volgende bedrijfsgebouwen: Stadhuisplein 1, Stadhuisplein 2-35, Bedrijfsverzamelgebouw, Kleine Haarsekade. Hierop wordt annuïtair afgeschreven. Op grondbezit (voor onderwijsdoeleinden, niet voor de publieke dienst bestemd en bouwgrondexploitatie) met economisch nut wordt niet afgeschreven.

Investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Onder deze categorie vallen, conform BBV en op grond van de Gemeentewet art. 229 lid 1 a en b, activa die op de volgende heffingen en rechten betrekking hebben: riolering, kadegelden, lijkbezorgingsrechten.

Een naar verwachting duurzame waardevermindering van vaste activa betreft een schattingswijziging die volgens artikel 65, lid 1 BBV onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking wordt genomen.

Investeringen in de openbare ruimte met uitsluitend maatschappelijk nut
De infrastructurele werken in de openbare ruimte, zoals wegen, pleinen, bruggen en parken zijn geactiveerd en worden afgeschreven. De ondergrond van deze werken wordt daarbij als integraal onderdeel van het werk beschouwd (en dus ook afgeschreven).

Financiële vaste activa
Deelnemingen aan gemeenschappelijke regelingen en leningen (categorie: uitgeleend geld) zijn opgenomen tegen nominale waarde.

Participaties in het aandelenkapitaal van NV’s en BV’s zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Als de waarde van de aandelen onverhoopt structureel daalt tot onder de verkrijgingsprijs dan vindt afwaardering plaats.

Vlottende activa

De vlottende activa worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Voorraden
De overige grond- en hulpstoffen (magazijnvoorraden) worden gewaardeerd tegen vaste verrekenprijzen die zijn gebaseerd op de gemiddelde betaalde inkoopprijs. Verschillen tussen de vaste verrekenprijs en betaalde inkoopprijs worden als resultaat verantwoord op prijsverschillen. Incourante voorraden worden afgewaardeerd naar marktwaarde.
De als 'onderhanden werken' opgenomen bouwgronden in exploitatie zijn gewaardeerd tegen de vervaardigingsprijs. De vervaardigingsprijs zijn de kosten die aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend (zoals grondaankopen en kosten van bouw- en woonrijp maken), en een redelijk te achten aandeel in de rentekosten en de administratie- en beheerskosten.
Winsten uit de grondexploitatie worden slechts genomen als en voor zover die met voldoende mate van betrouwbaarheid als gerealiseerd aangemerkt kunnen worden (percentage of completion methode). Zolang daarvan geen sprake is worden de verkregen verkoopopbrengsten ten volle op de vervaardigingkosten in mindering gebracht.
Op de balans worden voorraden netto verantwoord. Voor de grondexploitaties met een verliesgevend saldo wordt ter hoogte van dit saldo een voorziening gevormd. Onder de categorie 'gereed product' valt de voorraad bedrijfsmiddelen.

Vorderingen en overlopende activa
De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt bepaald op basis van de geschatte inningskansen.

Liquide middelen en overlopende posten
Deze activa worden tegen nominale waarde opgenomen.

Vaste passiva

Voorzieningen
Voorzieningen worden in beginsel gewaardeerd op het nominale bedrag van de betrokken verplichting of het voorziene verlies.
De pensioenverplichting voor de wethouders is echter op de contante waarde van de (opgebouwde) toekomstige uitkeringsverplichtingen gewaardeerd.
De onderhoudsegalisatie voorzieningen stoelen op een meerjarenraming van het uit te voeren groot onderhoud aan (een deel van) de gemeentelijke kapitaalgoederen, waarin rekening is gehouden met de kwaliteitseisen. In de paragraaf 'onderhoud kapitaalgoederen' is het beleid nader uiteengezet.
In artikel 76a BBV is een uitzonderingsregime opgenomen voor meerjarige subsidies waarvan de subsidieperiode vóór 1 januari 2007 begon. De voorziening Stedelijke Vernieuwing is daarom onder de post door derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden.

Vaste schulden
De vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde verminderd met gedane aflossingen. De vaste schulden hebben een rentetypische looptijd van één jaar en langer.
De aflossingen die binnen een jaar vervallen staan in de toelichting ook de bijbehorende rentelast.

De onderhandse leningen zijn gesplitst conform art. 36 van het BBV.

Vlottende passiva

De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Borg- en garantstellingen

Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten de balanstelling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen. In de toelichting op de balans staat meer informatie. Onder de borg- en garantstellingen vallen ook de garanties voor WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw) en WEW (Waarborgfonds Eigen Woningen). Deze hebben betrekking op zowel indirecte als directe garantieverlening. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing is dit opgenomen bij het onderdeel 'gewaarborgde geldleningen/uitgegeven geldleningen'.

Begrotingsbudgetten en financiële overzichten

De in deze jaarstukken gepresenteerde financiële overzichten en budgetten zijn gebaseerd op de door de raad vastgestelde begroting en de daarna doorgevoerde begrotingswijzigingen.

Onzekerheid eigen bijdrage CAK
Aanvragers van een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) zijn op grond van de WMO een eigen bijdrage verschuldigd. De wetgever heeft bepaald dat het CAK de berekening, oplegging en incasso van deze eigen bijdrage uitvoert. Het CAK verstrekt aan de gemeenten een totaaloverzicht waarbij maandelijks afstorting plaatsvindt van de geïncasseerde bijdragen. Gemeenten kunnen met deze overzichten van het CAK de aantallen personen, de soort en omvang van de zorgverlening beoordelen in relatie tot de eigen WMO-administratie. Door het ontbreken van inkomensgegevens op de CAK-overzichten hebben gemeenten onvoldoende informatie over de eigen bijdragen om de juistheid op persoonsniveau en volledigheid van de eigen bijdragen als geheel te kunnen vaststellen.
Door de keuze het CAK de berekening, de oplegging en incasso van de eigen bijdragen te laten uitvoeren, heeft de wetgever in feite bepaald, dat de verantwoordelijkheid van de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen geen gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Dat betekent dat de gemeenten geen zekerheid kunnen verkrijgen over de omvang en hoogte van de eigen bijdragen. In overeenstemming met de Kadernota rechtmatigheid van de commissie BBV moet de gemeente deze onzekerheid in de jaarstukken noemen, ook al ligt de oorzaak niet bij de gemeente zelf.